De man die ook wel eens een spelletje speelt.

De huizen rondom me worden steeds waziger, terwijl mijn snelheid steeds verder toeneemt. Ik hou van motor rijden in deze wereld. Het einde van de straat komt in zicht, maar ik minder nog geen vaart. Ik begeef me naar de linkerkant van mijn rijvak, zodat ik mijn bocht zo ruim mogelijk kan nemen. Het zal nodig zijn. Pas op het laatste moment rem ik volop, waarbij de achterband loskomt van het asfalt. Op het moment dat de band terug aarde raakt, gooi ik mijn stuur om. Ik draai de dwarsstraat in en ik raak de paal, waar het stoplicht aan bevestigd is, op een haar na. In de dwarsstraat staat een auto te wachten voor het licht en doordat ik mijn bocht zo ruim mogelijk wil nemen, glip ik ook hier vlak naast. Ik draai mijn gashendel volledig open en mijn snelheid begint weer toe te nemen. Deze straat is iets drukker en af en toe moet ik slalommen tussen de wagens. Geen probleem. Een eindje voor me zie ik een politiewagen een andere auto achtervolgen. Ik probeer er rekening mee te houden, maar dit is schier onmogelijk. Niet ver voor me schieten ze beide ineens de middenberm over, om de achtervolging op mijn baanvak verder te zetten. Ik doe het enige wat mogelijk is; ik verplaats me naar het voetpad waar ik naast een oneindig lijkende muur voortraas. Van zodra ik de politiewagen gepasseerd ben, wissel ik het voetpad terug in voor de rijbaan. Het volgende kruispunt moet ik naar rechts, maar er staat een truck voor het stoplicht te wachten. Ik ga naar het andere baanvak, in de hoop dat er geen tegenliggers komen. Zoveel geluk heb ik echter niet en ik moet me nu tussen de truck en de wagen wringen. Ik maak een ongetwijfeld artistiek verantwoorde streep bij op de man zijn auto, die prompt uitstapt en me met allerlei verwijten bedankt. ik ben echter al de bocht om. Ik zie reeds het terrein waar ik moet zijn.
Ik parkeer mijn motor aan de overkant, in de ijdele hoop dat hij straks nog aanwezig zal zijn. Ik ga naar de overkant, en zonder verpinken wandel ik het terrein op. Onmiddellijk is er allerlei bedrijvigheid die zich toespitst om mijn aanwezigheid. Het terrein is een distributiecentrum. Rechts van me bevinden zich parkeerplaatsen voor aanhangers, daarachter een grote loods, met aanlegsteigers. Een heel eind links van me zie ik exact het zelfde, maar dan eerst de loods en pas daarna de parkeerplaatsen. Tussen mij en de loods links van me bevinden zich ook enkele aanhangers. Ik neem mijn AK-47 stevig vast en ik richt die op de zwaar gebouwde werkmens die mijn richting uitkomt. Een paar kogels doen hem neerzijgen als de zware man die hij is. De andere werkmensen zoeken dekking en beginnen sporadisch in mijn richting te vuren. Ik concentreer me echter eerst op de heftrucks die gevaarlijk uitziende vaten in mijn richting vervoeren. De vaten zien er gevaarlijk uit door de rode kleur en op het moment dat ik daar wat lood in pomp, blijkt pas hoe gevaarlijk het goedje echt is. Een explosie volgt en zet een gedeelte van het plein in vuur en vlam. De heftruck explodeert in deze vlammenzee nog ver voor het een bedreiging vormt voor mij. Enkele van de werkmensen die dachten mij te kunnen neerschieten, leggen hierbij het loodje. Na het afknallen van nog enkele werkmensen / bewakers, ben ik alleen op het plein. Ik voel de adrenaline toenemen. Ik klim op een aantal gestapelde containers en ik neem de kogelvrije vest tot mij die hier achteloos rondslingert. Ik spring naar beneden, op een muurtje dat zich op de hoogte van de laaddokken bevindt. Ik richt mijn wapen op de console die toegang verschaft tot de poort, die nu nog gesloten is. Een welgemikt schot later schiet de poort omhoog.
De twee mensen die zich erachter bevonden beginnen hun wapen leeg te schieten op mij. Ouch. De linker mik ik een kogel door zijn hoofd, de rechter twee vol in de borst. Ik vervolg mijn weg doorheen de loods. De paletten blokkeren niet alleen de vrije toegang, maar ook het zicht. Het lijkt wel een doolhof. Ik vervolg mijn weg door dit doolhof, terwijl af en toe een bewaker vanachter een hoekje komt loeren. Een kogel door zijn oog en hij loert niet meer zo vlot. Ook hier kan ik me nog tegoed doen aan een kogelvrije vest en zelfs een levensreparerend hartje. Met volle statistieken vervolg ik mijn weg, niet geheel gerust. Beide giften zijn vaak een voorbode voor onheil. Ik kom aan een doorgang in het midden van de loods, die uitkijkt op een open ruimte die het grootste deel van de rest van het gebouw inneemt. Aan het einde is een trap, die uitgeeft op loopbaan boven, met een kantoor. In de open ruimte zie ik meerdere bewakers. Ik blijf zover mogelijk uit het zicht en begin ze neer te knallen. Chaos alom. Sommige bewakers proberen op me af te komen, andere beginnen dekking te zoeken. Ondanks, of misschien net dankzij, de chaos kan ik de meeste omleggen, nog voor ik me in de open ruimte begeef. Ik weet dat er nog enkele bewakers verscholen zitten, maar ik begeef me toch al in de richting van de ruimte. Eenmaal ik daar ben draai ik me onmiddellijk naar links en maak komaf met de verscholen bewaker door middel van een hoofdschot. Tijd om naar het bloed te kijken dat uit zijn nek spuit heb ik niet, want de twee bewakers aan de rechterkant nemen mij onder vuur. Hoe durven ze. Niet veel later liggen ook zij plat tegen de grond. Terwijl ik hun ammunitie bijeenraap, laten mijn voetsporen een bloederig spoor achter. Ik klim de trap op en kijk even rond. In het kantoor bevindt zich waarschijnlijk mijn doelwit.
Even rust ik, me voorbereidend op het volgende deel, het uitschakelen van de leider. Ik merk echter op dat ik de leider door de open deur van het kantoor kan zien. Even twijfel ik, maar besluit dan toch maar mijn kans te wagen. Ik ga het kantoor niet binnen, maar ik begin op de onwetende man te schieten. Ik houd me klaar om het kantoor in te rennen als dat nodig mocht blijken, maar het geluk zit me een keertje mee. De man blijft staan, terwijl ik hem met kogels bestook. Hehe. Het doet me even de spelwereld verlaten en in de realiteit belanden, maar het maakt het voltooien van deze missie wel een pak gemakkelijker. Mij hoor je dus niet klagen. Ik hou van computer glitches. De persoon blijkt redelijk bestand tegen kogels, want het duurt een hele tijd voor hij werkelijk het loodje legt. Geeft niet, ik heb de tijd. Wanneer hij er eindelijk de brui aan geeft, verandert de atmosfeer lichtjes en krijg ik een mooi berichtje dat ik geslaagd ben voor mijn missie.
Ik ga nu eindelijk het kantoor binnen om het geld op te rapen dat de leider heeft achtergelaten. Ik ga de andere kant van het kantoor uit, om niet terug door het doolhof te moeten manoeuvreren en als ik daar de trap afga, bevind ik me aan de andere kant van het terrein. Ik loop terug naar de poort waar ik door gekomen ben, om dan te merken dat mijn motor weg is. Ik vloek binnensmonds, alhoewel ik het had verwacht. Ik stap de straat op en wacht tot er een auto komt aanrijden. De brave man stopt voor mij en dat had hij beter niet gedaan. Ik stap naast de wagen en open zijn portier. Ik neem de man bij zijn fletse hemdje vast en ik sleur hem de auto uit.
Tijd om naar huis te rijden.

 


De man die “De Foundation” heeft uitgelezen.

Ik ervaar een gemis.
Gisteren was het er nog niet, maar nu is het plots opgekomen. Het is geen erg gemis, maar toch is het er. Ik heb afscheid genomen van iemand die ik nu ongeveer een jaar ken. In die periode ben ik stilaan zijn levensverhaal te weten gekomen. Ik had het gevoel van gemis niet verwacht, maar nu overvalt het me een beetje. Het doet me terugdenken en wat erger is, het doet me realiseren hoe weinig er echt blijft hangen. Er is zoveel dat ik reeds ben vergeten. En dat proces is nog niet ten einde. Als het nu nog een vlek is, pertinent aanwezig in mijn bewuste geest, dan is het binnenkort niet meer dan een puntje. De ondergang van een maan aan het firmament in mijn geest. De verschrompeling tot ster tussen de andere sterren, om enkel nog eens een sterke gloed te laten schijnen wanneer mijn geest nogmaals zijn focus legt op net die ene ster. Ik koester de maan. En nu schijnt de maan voor de laatste keer hard. Misschien zelfs harder dan het voorheen heeft gedaan, omdat ik de maan niet wil loslaten. Ik wil elke krater nogmaals bekijken, elke berg inspecteren, maar dat kan niet. Enkel mijn herinneringen heb ik nog. Het zijn die herinneringen die de maan de laatste sterke gloed geven. Het is onmogelijk om in te schatten hoe klein de ster wordt, of hoe vaak ik die ster ga benaderen om nogmaals te laten oplichten. Eigenlijk maakt dat ook niet zo heel veel uit. De ster zal nooit van het firmament wijken. Al die sterren tesamen bepalen mee wie ik ben en hoe ik me gedraag. Net zoals bij al mijn sterren hoop ik dat ze ten goede komen van mij. Bij deze ster twijfel ik daar niet aan. De impact zal misschien klein zijn, maar daar staan dan weer vele sterren tegenover. Niet altijd genoeg, ik weet het. Ook dit fenomeen is duidelijk aanwezig. Bij de herinneringen hoort ook een soort schuldgevoel voor al het verkeerde dat ik die persoon heb aangedaan. Gelukkig beperken die herinneringen zich en niet omdat ik me de slechte dingen gewoonweg niet herinner, maar er zijn gewoon niet veel momenten die aan deze beschrijving voldoen. Samen met het licht dat de maan nu nog uitstraalt, is er de pijn die gepaard gaat met het gemis. Ik verzink een beetje in de poel van herinneringen, gevoelens van gemis en pijn, opflakkeringen van vreugde en nog meer gedachten en gevoelens. De poel is overweldigend, maar noodzakelijk. Ik werd erin gedropt en ik moet er door waden, wil ik terug aan de kant komen. Door me naar de zijkant van de poel te begeven, wordt het licht van de maan kleiner. Wanneer ik eindelijk aan de kant arriveer, zal de maan zijn uiteindelijke vorm van ster gekregen hebben. Misschien schijnt hij de eerste tijd nog wel een stukje feller dan in de verre toekomst. Voorlopig zit ik tot mijn enkels in de poel. Soms lijk ik er zelfs in te verdrinken, maar gelukkig nooit te lang. Ik wil weg uit deze poel, zonder dat het licht aan kracht moet inboeten. Jammer genoeg is dat onmogelijk. Raar genoeg is het net die wetenschap dat er voor zorgt dat de poel erger wordt, dat het moeilijker wordt om me voort te bewegen in de smurrie waaruit het is opgebouwd. Ik wil hier niet zijn, maar nu ik er ben, wil ik precies ook niet meer weg. Ik weet immers dat dat betekent dat het licht moet verdwijnen. Ik koester het licht. Ik koester het genoeg om het nu feller te laten schijnen dan het lang heeft gedaan. Ik koester het genoeg om er een krachtige ster van te maken. Ik koester het genoeg om de ster voor de rest van mijn leven met mij mee te dragen. Ik koester het genoeg om een deel van mij te laten worden. En die gedachte sterkt mij enorm. Die gedachte zorgt er voor dat ik de oever van de poel kan bereiken. Jij bent niet meer, maar je bent nu een deel van mij.

 


Alive and kicking

Ik ben goed bezig.
En ik ben slecht bezig.
Ik zal met het slechte beginnen. Ik sta compleet nergens met mijn boek! Ik weet niet hoe lang het geleden is dat ik er nog iets voor gedaan heb. Ik zou het kunnen opzoeken in mijn blog, maar zelfs daar ben ik te lam voor. Het maakt ook niet echt uit hoe lang het geleden is.
Positivo die ik ben, denk ik meer aan het feit dat ik ook goed bezig ben. Ik ben met minstens drie schrijfprojecten bezig. Ik ben nog steeds een klein beetje met Paranoia bezig. Ik ben vaak met mijn SF boek bezig, alhoewel ik nog niet echt aan het schrijven ben hiervoor. Ik ben ook af en toe bezig met de reeks “De man en …”, waarvan ik het eerste deel alleszins geslaagd vind. Ik ben ook met mijn blog bezig. Ik ben ook van plan om nog een nieuwe stijloefening (zoals ook Paranoia is begonnen) aan te gaan, maar ik weet nog niet concreet hoe en wat. Daar lezen jullie wel over als het zover is. Misschien zelfs eerder. (hehe)
Ik hoop in het kort (reken echter op een paar maanden) voor een verrassing te kunnen zorgen, maar aangezien het een verrassing betreft, kan ik hier al helemaal niets over kwijt… voorlopig. (wederom: hehe)
Weet in ieder geval dat de schrijver very much alive and kicking is.
Ik heb er geen idee van hoe saai het precies is om deze blog te lezen (ik heb het geluk dat ik dat helemaal niet dien te doen, en het schrijven ervan is niet zo heel saai, gelukkiglijk), maar het helpt mij wel. Ik besteed misschien niet altijd voldoende tijd aan de blog en ik kan me voorstellen dat het soms worstelen is om erdoor te komen, maar ik doe mijn best om het interessant te houden. Ik hoop dat zowel Paranoia en “De man en…” hiertoe bijdragen.

Voor de schrijver in mij is dit een zeer interessante periode.

:-)

 


De man & Paranoia

Het tweede deel van Paranoia is klaar.
Ik heb onlangs besloten het middenstuk op te delen. Ik was oorspronkelijk van plan om een vrij groot middenstuk te maken, maar ik bedacht dat het misschien interessanter zou zijn om meerdere kortere stukken te maken.
Dat zorgde er dan weer voor dat hetgeen ik reeds heb geschreven voldoende is voor weer een kleine publicatie. Dus wederom de blog entry hier vlak boven zal een link bevatten naar de pdf. Ik hoop dat jullie het leuk vinden en dat jullie uitkijken naar een volgend deel…
Zoals jullie hieronder hebben kunnen zien, ben ik eigenlijk ook een tweede reeks begonnen in de grote opzet van Stijloefeningen. Al zullen de stukjes van “De Man” niet een echte uitstap zijn buiten wat ik normaal schrijf. Integendeel. Het is erg gelijkend op mijn kortverhalen die ik steeds schrijf. Er zullen (waarschijnlijk) nog stukjes volgen in de reeks “De Man” en ik hoop dat ook die zeer genietbaar zijn.
Laat het in elk geval weten !!
.

 


De man die ook vader is.

“Waar gaan we naar toe?”
“Dierentuin”, horen we met veel overtuiging.
Mijn vrouw lacht en zegt: “Nee meid, we gaan naar oma.”
“Ja!”, horen we met evenveel overtuiging van op de achterbank.
We lachen en ik bedenk me dat ik houd van het woordje meid. Een gevolg van een woonplaats dichtbij de Nederlandse grens. Ik vind het vlotter klinken dan meisje. Aangezien het concept van een echte meid een beetje achterhaald is, heeft het voor mij nooit een connotatie gehad. Bij het woord meid denk ik in eerste plaats aan mijn vrouw en mijn dochtertje. Niet aan een dienster.
Het is even stil in de auto, ‘s morgens zijn noch mijn vrouw noch ik erg spraakzaam. Misschien is dat bij mijn vrouw wel enkel het geval omdat ik nooit iets zeg. Als ik geacht wordt te antwoorden, doe ik dat zo kort mogelijk. Mijn spraakzame ik moet nog wakker worden. Grappig is wel dat mijn spraakzame ik ook opblijft terwijl mijn lichaam reeds lang zou moeten slapen. Hoe moeër ik wordt hoe groter de spraakwaterval. Een bekende trek van mij bij mijn naasten, wie ik tot vervelen toe blijf lastigvallen met mijn geredeneer en oeverloze discussies, terwijl iedereen (inclusief mezelf) te moe zijn om zelfs maar te luisteren.
Plots komt van achter mij een enkel woordje: “Maan”.”Goed zo lieverd”, repliceer ik. De maan schijnt inderdaad door de bomen aan de linkerkant van de wagen en onze dochter, sinds kort bezeten door het hemellichaam, was de eerste die het opmerkte.
Niet veel later komen we ook effectief aan bij oma. Ze is het gewend en heeft gelukkig nog geen scheidingsangst. We krijgen een kusje voor we terug doorgaan, al moeten we daar meestal wel achter vragen en soms zelfs een beetje aandringen. Wij vertrekken terug na dit kleine oponthoud in de richting van het werk. We hebben geluk dat we niet zo heel ver rond moeten om onze schat af te zetten.
De begroeting ‘s avonds is altijd een hele hartelijke. Eerst zegt ze “Mama. Papa.” en staat ze van geluk te trappelen. Letterlijk. Als ze gelukkig is dan begint ze vaak ter plaatse te trappelen, met een glimlach waar onze harten van smelten. Vervolgens komt ze aangesneld om een “kroelie”. Een knuffel. Als baby heeft ze nooit graag geknuffeld, maar dat is ze nu aan het inhalen. Tot groot plezier van ons allemaal.
Terug op weg naar huis klinkt het wederom: “Maan.”
“Nee. Nu niet. Nu is er geen maan te zien.” Antwoord ik. Onverstoord gaat ze echter verder: “Maan?” Het klinkt echter meer als een vraag. Wederom een ontkenning, deze keer van haar mama. Als we onze straat in draaien merk je dat ze goed moet nadenken terwijl ze de woorden “Bijna thuis” uitspreekt. Meer en meer begint ze woorden te combineren. Niet zomaar woorden, maar effectief woorden die samen horen. Een klein wonder op zich. Thuis stapt ze vrolijk rond en begint reeds aan alle mogelijk spullen te zitten die niet voor haar handen bedoeld zijn. Die zijn namelijk veel interessanter dan al die spullen waar productontwikkelaars jaren op hebben liggen denken om net met dat ontwerp te komen dat de aandacht van kinderen zou moeten trekken. Nice try, denk ik dan. “Nee, Freya” is dan ook een veel gehoord zinnetje in ons huis. Haar reactie is meestal ongeveer hetzelfde. Ze schudt hevig nee, herhaalt soms het woordje, maar haar handjes doen vrolijk verder. Na wat aandringen of gebruik van het ander veel gebruikte woordje “Afblijven.” lukt het haar toch om zich aan die regel te houden. Mijn vrouw is het eten aan het bereiden in de keuken en ik heb de taak om op Freya te passen op mij genomen. Ik heb geluk, want Freya kan zich steeds beter in haar eentje amuseren. Ze loopt wat weg en weer en laadt naar dagelijkse gewoonte de schuif met boeken uit. De boeken belanden een voor een met een plof op de grond. Wanneer ze op de bodem zit, komt ze in mijn richting gestapt. Ik had reeds plaats genomen aan mijn laptop aan de eetkamer, zodat ik Freya in de gaten kan houden. Ze komt naar me toe met haar armen open, een teken dat ze gepakt wil worden en zegt hetzelfde woordje in een eindeloze loop: “Nijntje!?”. Kinderen zijn meesters in het uitspreken van een enkel woord tegelijkertijd als vraag en als bevel. Ze wil Nijntje zien en de laptop is voor de komende periode onlosmakelijk verbonden met Nijntje. Ik heb namelijk een tijdje geleden de website van Nijntje laten zien aan haar en dat vergeet ze niet. Dus als nu papa of mama zich aan de laptop bevinden, weerklinkt de naam van het lief, klein konijntje aanhoudende door het huis. Ik neem ze op mijn schoot en surf naar de betreffende pagina. Ze glundert en ik glunder mee.
Niet veel later is het tijd om te eten. Sinds kort eet ze ‘s avonds warm en ‘s middags boterhammen. Niet altijd even gemakkelijk, aangezien we niet echt vaste werkuren hebben. Maar het lukt wel. Ik zet ze in haar stoel, wat ze niet altijd even leuk vindt, maar het vooruitzicht op eten maakt veel goed. Soep eet ze graag en ze krijgt van zowel mij als van mama regelmatig een hapje. Het hoofdgerecht is een lastigere bedoening. Ze is geen grote fan van groenten. Regelmatig duikt dan het woord “dannie” terug op. Een verkorte versie van “Dat niet”, wat ze veelvuldig gebruikt als ze ergens niet mee akkoord is. Al bij al valt het mee en eet ze flink. Eenmaal we het einde naderen, begint ze wat vervelend te worden. Het duurt haar immers veel te lang. “Stappen?” Het bevelende is hier niet aanwezig. Het is eerder een smekende vraag, wederom herhaald tot ze haar zin krijgt. Van zodra ze haar twee voeten op de grond heeft, loopt ze naar mama, waar ze met haar armen in de lucht “mama pakken?” probeert.
“Nu niet lieverd, mama is nog aan het eten.”
Onverstoorbaar herhaalt ze haar verzoek. Wederom weigeren we toe te geven, maar nu met een korte nee. Een derde keer herhaalt ze smekend haar vraag en het onderlipje begint reeds een beetje te trillen. We wijzen haar weer op het feit dat ze niet opgepakt wordt terwijl wij nog aan het eten zijn. Alleen is het nu tijd om voor een zekere afleiding te zorgen. Meestal wijzen we haar op een stuk speelgoed, maar aangezien onze hond ondertussen ook rondhuppelt, valt haar oog daar toevallig op en vindt ze zelf haar afleiding. Ze strekt haar armpje terwijl ze de hond achterna gaat. “Ikkefix aaien.” Als fan van Asterix, kon ik niet anders dan onze westie Idefix te noemen. Alleen mocht ik de puntjes van de oren van onze hond niet zwart verven.
De melk zit reeds in de fles en Freya loopt met het dopje van de fles in haar hand rond. Ze weet dat ze pap krijgt en dan kan ze nooit in de zetel blijven zitten. Bijna alle dagen vraag ik haar van reeds in de zetel plaats te nemen. soms doet ze dit ook. Maar ze komt er dan onmiddellijk terug uit. Meestal haalt ze de zetel niet, meestal draait ze van te voren al terug. Wanneer het belletje van de microgolf rinkelt doet ze dit geluid na, goed wetende wat dit betekent. Wanneer ik met de fles in mijn handen op haar af stap, geeft ze vrijwillig het dopje. Ik geef haar de fles en zeg haar dat ze mooi in de zetel moet gaan zitten. Wat ze ook doet. Ze moet nog een beetje klimmen, maar dat vormt geen probleem. Tijdens het drinken moeten we soms zeggen dat ze moet blijven zitten, maar vandaag is ze braaf en verroert ze niet. Eenmaal de fles leeg is, deelt ze dit ook mee. “Op.”, zegt ze vol overtuiging, waarna ze vrolijk van de zetel afklimt.
Even nog loopt ze wat rond, maar echt spelen doet ze niet meer. Ze weet ook wat er nu komen gaat. “Ga maar naar de badkamer” draag ik haar op. “Ja!” antwoord ze en vertrekt. Vanuit de verte hoor ik: “tanden poetsen”. De laatste letter valt er wel af, maar verder klinkt het nagenoeg perfect. Grappig dat ze steeds enthousiast blijft vooraf, terwijl het tanden poetsen de laatste tijd meer en meer een strijd is geworden. We vermoeden dat ze toch wel een beetje last heeft van haar boventanden. Met een beetje wringen, lukt het aardig. Eenmaal dat gedaan is, is het tijd om te knuffelen. Ze loopt naar mama toe, waarna er een waar knuffelfestijn begint. Ze legt haar hoofd netjes op de schouder. Mama vertelt haar dat papa een verhaaltje gaat voorlezen. Wederom de blije en overtuigende “ja” die erop volgt en van blijdschap begint ze wederom te trappelen. Alleen heeft mama ze nu vast. Gelukkig is dit geen beweging die pijn doet, alleen de knieën dringen een beetje in de buik van mama. Na het knuffelen, neem ik ze over en we gaan naar boven. Als ik ze in bed leg volgt haar heilige tweevuldigheid: “Koelie. Tuttie.” Dit vraag-gebod wordt herhaalt tot ze de voorwerpen ziet. Haar tutter neemt ze van mij aan en stopt ze onmiddellijk in haar mond. Aangezien ik haar knuffel nog moet nemen, beperkt het vraag-gebod zich tot dat ene woordje. Doordat ze echter een tutter in haar mond heeft, wordt dat woordje herleidt tot een gemompel dat enkel herkenbaar is doordat je weet wat ze zegt. Als ik haar de knuffel aanreik, klemt ze die tussen haar hoofd en haar linkerschouder. “Slaapwel, meisje”, en ik werp haar een kushandje toe. Ik pak de boek vast en doe het licht in haar kamer al uit. Ik ga in de deuropening staan, waar ik voldoende licht heb van de hal. Ik begin voor te lezen. Ik doe niet echt stemmetjes, maar geef de verschillende personages toch een licht andere stem mee. Ik maak veel gebruik van intonatie, omdat ik daar zelf wel van houd en omdat het levendiger overkomt. Denk ik toch. Ik leg de boek terug weg en wens haar nogmaals een goede nacht en ik zwaai naar haar terwijl ik de deur dicht trek. Stilletjes ga ik naar beneden, waar mijn vrouw met een glimlach op de zetel zit. Ik nestel me tegen haar aan en terwijl ze zegt dat we toch een schattige dochter hebben, sluit ik mijn ogen.