Wolkjes

Waar zat ik met mijn gedachten? Te denken dat ik het allemaal wel zou kunnen. Hoe heb ik ooit zo naïef kunnen zijn? Het is immers zoveel eenvoudiger om in het zoete gras te gaan liggen en kijken hoe… de blauwe hemel aan me voorbij schuift? Er zijn immers geen wolkjes. Zelfs niet van die schattige schaapachtige dingen. Een strakblauwe hemel. Ik zou natuurlijk een beetje vals kunnen spelen; vertellen dat er wel donzige wolkjes drijven. Dat draagt immers bij aan de sfeer die ik probeer te scheppen. Mijn naïeve zelve ligt dus in het geurende gras te staren naar Altocumulus wolken, te denken dat geen enkele actie van mij ook maar iets teweeg brengt dat echt de moeite is. Een beetje het gevoel dat ik verwacht dat mensen in hun midlife crisis hebben, maar bij mij dan hopelijk toch zonder in het midden van mijn leven te zitten. Ondertussen dwalen mijn gedachten af naar de wolken. Ik vind het moeilijker dan ik had gedacht om de niet bestaande wolken in leven te houden en terwijl filosofisch te doen over mijn leven. Het is alsof er een grote pijp is naar mijn filosofische overpeinzingen, een beetje zoals een oliepijpleiding. Daarnaast staat bevindt zich een dun pijpje naar de wolkjes, vergelijkbaar in grootte met een waterleiding zoals ze in huis liggen. Alleen staat die kleine waterleiding onder druk, waardoor het veel weg heeft van een fontein. Uit de grote pijpleiding daarentegen sijpelt af en toe een druppeltje. Heel mijn redenering onderuit gehaald, er is geen plaats voor de gedachten die er zouden moeten zijn. Zelfs binnen in mijn geest is het veel eenvoudiger te denken over hoe imaginaire wolkjes schijven over het hemelse gewelf dan aan wat er werkelijk in mij omgaat. Het is niet geheel zeker of ik wel wil weten wat er in mij omgaat. Ontkenning. Onderdrukking. Dwangmatig negeren door overmatig aandacht te schenken aan onbelangrijke details.
De vraag is natuurlijk welk effect dit heeft op de gemoedstoestand van een mens.
Maakt het me gelukkiger?
Maakt het me kapot op langere termijn?
Ik weet het niet.
En ik geef er geen ene kloot om.
Ik bedenk hoe de wolkjes zachtjes verder glijden over het blauwe tapijt.

 


Wezenlijk Verschil

In deze straat staat een huis.
Het is een gewoon huis, je zou het voorbij rijden zonder het op te merken. Zelfs als je er te voet voorbij zou wandelen, is er niets dat het doet opvallen. Het is een klein huisje en achter de voordeur is een hal. Het licht in de hal brandt. Het brandt al gedurende een gehele periode onafgebroken.
In deze hal is een deur. Een gewone schildersdeur die wit is geverfd. Toch is het geen gewone deur meer. Achter deze deur lurkt de dood. Het is een portaal naar de hel geworden. Na het openen van deze deur is er geen weg terug. Had ik dat maar geweten. Toch zou het geen wezenlijk verschil hebben gemaakt.
Achter deze deur is een kamer. Een gezellige kamer die leuk is ingericht. Allerlei spulletjes zweven doelloos rond. Onaangeroerd liggen ze nog waar ze zijn achter gelaten. In deze kamer is het stil. De enige geluiden die doordringen komen van buiten deze kamer. Komen van buiten dit huis. De versieringen aan de muur zijn herinneringen aan vervlogen tijden. Elk detail verloren voor altijd.
In deze kamer staat een zetel. Een ietwat oudere zetel die niets van zijn oorspronkelijke charme heeft verloren. Het is een gemakkelijke zetel. Waarschijnlijk heeft ze die om die reden gekozen. De armleuningen zijn, op het zitvlak na, het meest versleten. Het eeuwige gepulk bleek te veel en dus laat de zetel nu een beetje van zijn innerlijke kant zien.
In deze zetel zit jij. Je armen rusten op de leuningen zonder nog te pulken. De glans is reeds lang uit je ogen verdwenen, de glimlach speelt niet meer om je mond. Je haren hangen zielloos naast je gezicht dat ik zo aanbeden heb. Je favoriete kleedje netjes om je lichaam gedrapeerd. De ketting glinstert in het zonlicht, maar je lichaam voelt reeds koud aan.
Naast deze zetel lig ik. Zielloos. Levensloos. Mezelf van het leven beroofd nadat ik je zo gevonden heb. Ik kon niet verder. Ik wilde niet verder. Nooit had ik door de deur mogen gaan. Toch zou het geen wezenlijk verschil hebben gemaakt.

 


De Fundering

De storm is gaan liggen. Er is geen wind meer. Kleine vlokjes dwarrelen naar beneden, op zoek naar hun eigen plaatsje. Alles wordt bedekt onder een nieuwe laag. Al wat oud is, verdwijnt, terwijl de nieuwe coating alles eenvormig maakt. Het is een frisse, nieuwe aanblik. Desondanks hangt er een aura van tristesse over waaraan ontsnappen onmogelijk is. Af en toe een schittering en dan terug dezelfde witgestucte wereld.

Dromen vervaagd. Zicht vertroebeld.

Hier stap ik. Deze troosteloze omgeving is de mijne. Ik ben er thuis en toch. Toch is het niet de werkelijkheid. De scheidingslijn is dun, maar onmiskenbaar.

De wereld binnenin is niet dezelfde als diegene die ik waarneem met mijn zintuigen. Ik voel me confortabel bij de wereld binnenin. Ik voel me echter gelukkiger in de buitenwereld. De wereld binnenin vergt veel van me, vreet aan me. Kleine tandjes knagen beetje bij beetje aan de fundering. Het witte vervangen door een kleurrijk tapijt helpt niet. De fundering blijft hetzelfde monotome partoon behouden. De tandjes blijven even vrolijk hun noeste arbeid volhouden. Ik weet dat de fundering het zal houden. Er wordt even hard aan gebouwd als er afgebroken wordt. Ondertussen is het kleurrijke tapijt uitgerold en ziet alles er fantastisch uit. Maar het is moeilijk te genieten van een geweldig uitzicht als je beseft dat beneden dat alles de raderen hard aan het werk zijn.

 


Een jongen droomt

Een jongen droomt van verre reizen, fantastische avonturen en schoone deernes die dringend gered dienen te worden. Het gebeurt nooit. Het gebeurt nergens. Enkel in verhalen. Zijn verhalen, die hij bij elkaar fantaseert op saaie momenten. Die zijn er genoeg, saaie momenten. Misschien dat daarom zijn fantasie zo een goed geoliede machine is. Zijn lichaam ziet en hoort wat het nodig heeft om te kunnen reageren op de werkelijkheid, onderwijl is zijn geest op reis. Die geest bedenkt oplossingen voor de problemen die opdoemen. Op zich is dat al een hele prestatie, maar het gaat verder dan dat. Diezelfde geest heeft ook de opdoemende problemen verzonnen. Hij heeft interactie met de figuren die hij tegenkomt. De reacties van al die figuren worden evenzeer door de bedenker gecontroleerd. Alle touwtjes leiden dezelfde richting uit. Elk mogelijk woord en weerwoord is ontstaan in hetzelfde brein. Alle acties zijn een reactie op een eerdere actie. De eerste actie, de oerknal van dit universum heeft een duidelijke oorsprong.
Een jongen droomt van zijn eigen creaties. Steeds vaker zakt hij af in het universum dat hijzelf heeft geschapen. Hij is een held, hij is de goede, hij is wat hij ook maar wil zijn. Hij is vrij.
Hij is vrij.
Gevangen in zijn eigen universum is hij vrij. Hij zit gevangen in zijn lichaam. Het echte leven heeft geen betekenis. Het is niet zijn leven. Het is een realiteit en hij heeft geleerd ermee om te gaan, maar het is niet van hem. Als dusdanig heeft het geen waarde. Hij ondergaat en hij reageert. Nooit heeft hij het gevoel dat een actie echt een actie is. Al zijn acties zijn een reactie op wat er rondom gebeurt. Niemand merkt hem op. Hij is niemand en dat bevalt hem wel. Hij zoekt geen interactie op, integendeel, als hij de kans krijgt die te ontwijken zal hij dat doen. hij wil geen deel uitmaken van iets waar hij geen invloed op heeft. De wereld kan hem veranderen, maar hij de wereld niet. Toch niet de echte wereld.
Steeds groter wordt het contrast met zijn eigen universum. Hier is hij de oorsprong. Hij kan de hele wereld naar zijn hand zetten. Hier gebeurt alles zoals hij het wil. Zoals hij denkt dat het moet zijn en zoals hij beveelt dat het zal zijn. Hier is hij god. Hij is alles.
Een jongen droomt om nooit meer wakker te worden. Zijn geest heeft zich verscheurd van zijn lichaam. De realiteit dringt niet langer door tot hem. De breuk is niet overbrugbaar. Zijn geest heeft zichzelf wijsgemaakt dat hij het lichaam niet meer nodig had. Het was overbodige ballast en hij heeft zichzelf ervan bevrijd. Zijn geest zweeft door het eigen universum, niet langer geplaagd door de werkelijkheid. Hij is vrij.
Een jongen droomt. De machines rondom zijn ziekenhuisbed maken hun typische geluiden. Het meisje dat zijn hand vasthoudt snikt zachtjes, terwijl de tranen op de grond vallen. Ze doet niet de moeite de stroom ergens te onderbreken, ze laat de tranen gewoon rollen.
Een jongen droomt.

 


De poppenspeler

En de muziek stopt.
Stilte dendert door de ruimte als een kudde op hol geslagen olifanten. De droom is voorbij, het beeld reeds lang afgestorven. De toeschouwers weten niet wat hen overkomt. Ze voelen zich alsof ze net in een val zijn gelopen. Een enorme druk ontstaat op hun schouders. De angst is haast zichtbaar… een kleine flits die van persoon tot persoon huppelt tot iedereen besmet is. Sommigen denken eraan om zich al kruipend over de vloer te verwijderen, maar de vrees is te alomtegenwoordig, zodat niemand zich aan die actie waagt. Het zou niet baten, er is geen ontkomen aan de angst. Anderen hebben de indruk dat er iets verwacht wordt van hen, maar ook zij blijven onbeweeglijk. Ze hebben er geen idee van wat er verwacht zou kunnen worden van hen. Als ze zich hier wel een idee van zouden kunnen vormen, zouden ze even bevroren blijven door de intense beleving van angst.
Zachtjes kuchen. Ongemakkelijk heen en weer wiebelen op een stoel die dat eigenlijk niet toelaat vanwege te smal. Het ogenschijnlijk ondoordacht krabben in het haar. Stiekem spelen met de vingers, of toch zodanig dat zo min mogelijk mensen dit in de gaten kunnen krijgen. Veelvuldig knipperen met de ogen. Allemaal kleine, bijna onzichtbare, tekenen van nervositeit. Allemaal blijven ze achterwege in deze zaal. Deze zaal lijkt stil te staan op de tijdsband die de rest van de wereld hanteert. Maar de angst is te lezen in de ogen van de toeschouwers. De chaotische gedachten razen verder, geen van hen kan een aanknopingspunt vinden in hun eigen leefwereld en laat de mensen in een staat van verbijstering achter. De gedachten bundelen samen boven hun hoofden en vormen een duister beest. Een beest waarvan heel even de ogen oplichten en zo doordringen in deze werkelijkheid, maar wel enkel zichtbaar voor het getrainde oog. Het beest is echter even gevangen als de gedachten waaruit het ontstaan is. Die zijn op hun beurt weer even gevangen als de mensen waaruit ze ontsproten zijn. Elk op zijn eigen niveau wordt vast gehouden door een vrees. De mensen denken aan vluchten, maar durven niet. De gedachten bundelen hun krachten om op een ander niveau een vluchtpoging te ondernemen en het beest is daar het gevolg van. Het beest klauwt om zich heen, maar raakt niets. Hij glijdt bewegingloos en met een snelheid die zich niet beperkt tot aardse maatstaven door de ruimte. Maar de ruimte waarin hij zich kan bewegen is beperkt. Deze verpersoonlijking van angst is gebonden aan de gedachten die hem tot stand hebben gebracht en daar schuilt hem nu net het probleem. Die gedachten zijn ontstaan door de toeschouwers en die zijn allen even bang om enige actie te ondernemen. Het beest is dus in staat om zeer hard te brullen, in zijn eigen realiteit, maar niet in staat om enige wijziging tot stand te brengen in zijn of onze realiteit. Het beest is gedoemd om gekooid te blijven, bevangen in de beperkte ruimte van de gedachten van de aanwezigen. Het zijn net de mensen die niet geloven te kunnen ontsnappen en dus is het beest bij voorbaat al verloren.
En ik zit achteraan. Een glimlach onder mijn neus. Toe te kijken hoe het beest met onbeperkte werkelijke macht beperkt blijft tot het onschuldig brullen, hem opgelegd door zijn makers. Ik zit achteraan toe te kijken op de gepijnigde menigte. En ik bedien de touwtjes in mijn handen. En de poppen beginnen te dansen.