Tussentijdse update

Heel de dag kijk ik uit naar de avond. De avond is immers de periode dat we vrij zijn. Kunnen doen en laten wat we zelf willen. Niet langer verplicht in een klein kantoortje zitten. Niet langer verplicht slachte koffie drinken. Of is het mijn caffeineverslaving die mij daartoe verplicht? Gedurende de dag lijken de avonden steeds ideaal.
Dat zijn ze niet. Alhoewel het andere verplichtingen zijn, hebben we ‘s avonds avengoed taken die we niet willen doen, maar die toch dienen te gebeuren. En er is nog een bijkomend probleem.
De afgelopen weken loop ik al rond met plannen om verder te schrijven aan mijn tweede stijloefening. Gedurende de dag denk ik daar wel eens aan (nooit lang, daar leent mijn werk zich niet toe, maar lang genoeg om kleine ideetjes op te doen, of een interessante inval te bedenken), maar als ik op weg ben naar huis, slaat de vermoeidheid reeds toe. Thuis staat er een berg werk te wachten (voornamelijk tuinwerk in mijn geval) en eenmaal dat gebeurd is, heb ik geen energie meer over om nog aan schrijven toe te komen. Ik loop ook al die tijd al rond met een soort van ideaalbeeld. Ik zou buiten willen schrijven, onder het overdekt terras. Koffietje ernaast (wél een lekkere), terwijl ik op de tuin uitkijk en de nacht traag invalt.
Gisteren was het zover. Ik heb gedaan wat ik zonet heb beschreven. Het was heerlijk.
Raar eigenlijk dat ik vaak zo weinig zin heb om eraan te beginnen, terwijl het toch zo’n voldoening geeft.
Het schrijfproces loopt iets anders dan bij de eerste stijloefening. Chaotischer voornamelijk. Mijn eerste hoofdstuk is nog niet af, het tweede wel. Het tweede hoofdstuk is op dit moment kleiner dan het eerste, terwijl dat nog uitgebreid moet worden. Ik weet ook al dat mij een enorme taak van herschrijven staat te wachten voor het eerste hoofdstuk. Om het consistent te maken met hoe het verhaal zal evolueren. Dit zal het geval zijn voor meerdere hoofdstukken, vermoed ik. Dat zorgt ervoor dat het schrijven ervan maar traag vordert. Daarom ook dat ik reeds aan het tweede hoofdstuk ben begonnen; ik wist immers wat ik wilde vertellen. Tenminste dat dacht ik. Ondanks dat het grote verhaal zich reeds grotendeels heeft ontwikkeld in mijn hoofd, heeft het effectief uitschrijven van delen toch wel de mogelijkheid om een beetje buiten de lijntjes te kleuren. Sommige informatie die ik in het tweede hoofdstuk wilde stoppen, heeft het niet gehaald, terwijl ik dingen beschrijf die ik wilde bewaren voor later in het verhaal. Desondanks doet het geen afbreuk aan het grote masterplan en het geeft daardoor een grotere voldoening.
Ik heb ondertussen 8500 woorden bij elkaar gesprokkeld en ik heb het gevoel dat ik amper iets verteld heb. Wat ik beschreven heb, is slechts een zeer klein deeltje van het masterplan zoals het bestaat in mijn gedachten. Ik scrijf elk hoofdstuk als een op zich staand geheel, dat toevallig past binnen het grote geheel. Dat is voor mij de enige manier om de eindeloosheid die uitgaat van het grote geheel te compenseren.
Om het met een quote van een echte scrijver te zeggen:
“Writing a novel is like driving a car at night. You can see only as far as your headlights, but you can make the whole trip that way.” (E.L. Doctorow)
Om dan maar tot een besluit te komen: ik ben nog steeds bezig. Ik maak vorderingen. Traag, maar ik ga vooruit. Ik wil volhouden. Ik zal volhouden. Hopelijk blijft het weer goed genoeg, zodat ik nog vaak ‘s avonds buiten kan schrijven.

 


Grappige Gedachte

Een grappige gedachte is me net binnen geschoten.
Ik houd van muziek en ik gedraag me daardoor soms redelijk belachelijk.
Doordat in mijn geest vaak deuntjes hoor, gebeurt het dat ik zit te bewegen op de muziek die ik alleen hoor. Ik kan me voorstellen dat wanneer iemand me dan zou observeren er toch een vage glimlach op zijn lippen zou komen. Ook in de auto durf ik soms redelijk heftig bewegen op de maat van de muziek. Dat komt omdat het ook vaak behoorlijk heftige muziek is. Ook dat is muziek die ik alleen hoor, of toch hoogstens door mij en enkele medepassagiers. Mensen buiten de auto horen wederom niets en ook dat heeft meermaals geleid tot een glimlach en af en toe wijzende vingers. Ik ben innerlijk sterk genoeg om me daar niets van aan te trekken en af en toe leidt het zelfs tot leuke situaties.
Zo is er die keer dat ik in de file naar Brussel mij flink aan het uitleven was op de keiharde muziek in mijn autootje. Ik zie in mijn achteruitkijkspiegel een taxi opdagen. Een struise neger met rastahaar en een typische rood-geel-groene pots zit achter het stuur. Ook hij zit te swingen in zijn auto en de herkenning maakt dat ik glimlach. Het duurt niet lang voordat hij mij ook in de gaten krijgt en ook hij glimlacht. Wanneer hij niet veel later langs de zijkant op dezelfde hoogte als mij komt (gegarandeerd dat ik in het rijvak zit dat het traagste vooruit komt; als je mij ooit in de file tegenkomt, zorg er dan voor dat je in een ander rijvak zit als mij, als je snel vooruit wil komen !), steekt hij zijn duim op ter herkenning dat we naar goede muziek aan het luisteren zijn en dat we beiden aan het genieten zijn. De kans is zeer groot dat we naar compleet verschillende muziek aan het luisteren zijn, maar de herkenning van muziekfanaten onderling was wat telde.
Maar eigenlijk deed de gedachte mij aan een ander verhaal uit mijn verleden denken. Een verleden dat zich verder bevindt van de huidige tijd dan het vorige verhaal. Vroeger gingen mijn ouders vaak op vakantie. En ik ging evenvaak mee. Toen het nog bestond als zijne een vakantiepark, brachtten wij elke grote vakantie vier weken door in vakantiepark Les Dolimarts in Bohan. Ik heb daar leuke tijden beleefd, ik heb daar slechte tijden beleefd. Tijd zorgt er voor dat we voornamelijk de leuke tijden herinneren en de slechte vergeten. Dit is een van die leuke herinneringen. We (mijn ouders, mijn broer en ik – al weet ik niet zeker of mijn broer er bij was, aangezien die ouder is dan ik en de laatste jaren thuis bleef… enfin, we dus) zitten in een klein dorpje net over de Franse grens. Ik weet niet meer goed wat we precies deden, maar als ik het me goed herinner, waren we volop bezig aan een pick-nick. Een bezigheid die we vaak deden, aangezien we vaak gedurende de middag op wandel waren. We zaten op een klein pleintje, eigenlijk meer een enorme verbreding van de straat die door het dorpje liep. Aan de overkant zaten verschillende mensen en aangezien we toch niets beters te doen hadden, begon ik de mensen te observeren. Eentje zat er op een richel, met naast hem een gigantische draagbare radio. Yep, het was de tijd van de boomboxen (of ghetto blaster – voor wie niet weet waarover ik het heb: het betreft hier enorme radio-cassettespelers, die nog net gedragen kunnen worden door 1 persoon en de meeste hebben veel knopjes en evenveel lichtjes die allemaal niets speciaals doen, maar meer ter versiering dienen). De persoon vlak naast deze draagbare muziekspeler zit netjes weg en weer te wiegen, op de maat van de beat vermoedden wij. Het was immers net te ver om een beat te kunnen onderscheiden. Naarmate ik mijn aandacht verschuif naar de anderen, wordt het al snel duidelijk dat deze mensen een lichte afwijking qua verstandelijke capaciteiten hebben. Tegen dat we onze boterhammen bijna ophebben, komen er verschillende mensen in witte jassen uit een groot gebouw. Zij beginnen de anderen naar binnen te doen en wat mij toen opviel was dat een van de mensen in wit de radio mee naar binnen nam, maar dat de persoon op de richel even strijdvaardig bleef wiegen op muziek die er niet meer was.
Toen heb ik daar vreselijk om moeten lachen. Maar het zou mij evengoed kunnen overkomen. Ik zit immers vaak te bewegen op een beat die er niet is, tenzij in mijn hoofd.
Ik hoop alleen maar dat de mannen in wit mij niet komen halen.