De poppenspeler

En de muziek stopt.
Stilte dendert door de ruimte als een kudde op hol geslagen olifanten. De droom is voorbij, het beeld reeds lang afgestorven. De toeschouwers weten niet wat hen overkomt. Ze voelen zich alsof ze net in een val zijn gelopen. Een enorme druk ontstaat op hun schouders. De angst is haast zichtbaar… een kleine flits die van persoon tot persoon huppelt tot iedereen besmet is. Sommigen denken eraan om zich al kruipend over de vloer te verwijderen, maar de vrees is te alomtegenwoordig, zodat niemand zich aan die actie waagt. Het zou niet baten, er is geen ontkomen aan de angst. Anderen hebben de indruk dat er iets verwacht wordt van hen, maar ook zij blijven onbeweeglijk. Ze hebben er geen idee van wat er verwacht zou kunnen worden van hen. Als ze zich hier wel een idee van zouden kunnen vormen, zouden ze even bevroren blijven door de intense beleving van angst.
Zachtjes kuchen. Ongemakkelijk heen en weer wiebelen op een stoel die dat eigenlijk niet toelaat vanwege te smal. Het ogenschijnlijk ondoordacht krabben in het haar. Stiekem spelen met de vingers, of toch zodanig dat zo min mogelijk mensen dit in de gaten kunnen krijgen. Veelvuldig knipperen met de ogen. Allemaal kleine, bijna onzichtbare, tekenen van nervositeit. Allemaal blijven ze achterwege in deze zaal. Deze zaal lijkt stil te staan op de tijdsband die de rest van de wereld hanteert. Maar de angst is te lezen in de ogen van de toeschouwers. De chaotische gedachten razen verder, geen van hen kan een aanknopingspunt vinden in hun eigen leefwereld en laat de mensen in een staat van verbijstering achter. De gedachten bundelen samen boven hun hoofden en vormen een duister beest. Een beest waarvan heel even de ogen oplichten en zo doordringen in deze werkelijkheid, maar wel enkel zichtbaar voor het getrainde oog. Het beest is echter even gevangen als de gedachten waaruit het ontstaan is. Die zijn op hun beurt weer even gevangen als de mensen waaruit ze ontsproten zijn. Elk op zijn eigen niveau wordt vast gehouden door een vrees. De mensen denken aan vluchten, maar durven niet. De gedachten bundelen hun krachten om op een ander niveau een vluchtpoging te ondernemen en het beest is daar het gevolg van. Het beest klauwt om zich heen, maar raakt niets. Hij glijdt bewegingloos en met een snelheid die zich niet beperkt tot aardse maatstaven door de ruimte. Maar de ruimte waarin hij zich kan bewegen is beperkt. Deze verpersoonlijking van angst is gebonden aan de gedachten die hem tot stand hebben gebracht en daar schuilt hem nu net het probleem. Die gedachten zijn ontstaan door de toeschouwers en die zijn allen even bang om enige actie te ondernemen. Het beest is dus in staat om zeer hard te brullen, in zijn eigen realiteit, maar niet in staat om enige wijziging tot stand te brengen in zijn of onze realiteit. Het beest is gedoemd om gekooid te blijven, bevangen in de beperkte ruimte van de gedachten van de aanwezigen. Het zijn net de mensen die niet geloven te kunnen ontsnappen en dus is het beest bij voorbaat al verloren.
En ik zit achteraan. Een glimlach onder mijn neus. Toe te kijken hoe het beest met onbeperkte werkelijke macht beperkt blijft tot het onschuldig brullen, hem opgelegd door zijn makers. Ik zit achteraan toe te kijken op de gepijnigde menigte. En ik bedien de touwtjes in mijn handen. En de poppen beginnen te dansen.

 


Gelukkig…. I still don’t give a …

Er gaat niets boven verdwijnen in een eindeloze woordenstroom die ontstaat in je eigen geest.
Okee, er zijn misschien wel enkele zaken die daar nog boven staan, maar toch niet veel.
Het zich terugtrekken in een eigen universum is verslavend.
Meestal gaat het gepaard met muziek, liefst met hoofdtelefoon. Het zorgt voor een barrière tussen het werkelijke en het onwerkelijke. Ook helpt het wanneer de concentratie even verloren gaat. Het zorgt dan voor een afleiding buiten het werkelijke. Indien de woordenstroom een wereld is en het werkelijke leven de ruimte, dan is de muziek de atmosfeer. Het is een beschermende bel. Een huilende baby dringt immers niet meer zo gemakkellijk door. Immers… als een baby huilt in een bos waar nooit bomen omvallen, of indien dat toch gebeurt dit geheel geluidloos doen, ver van enige menselijke aanwezigheid, of indien ze toch aanwezig zijn, ze een hoofdtelefoon op hebben met luide muziek, onderwijl doordrongen van gedachten die geen verband houden met het werkelijke bos waarin ze zich bevinden, maakt hij dan geluid? En als een baby huilt zonder geluid te maken, huilt hij dan wel? En als de baby zich niet in dat bos bevindt, maar in ons huis, maar alle andere voorwaarden gelden nog (vooral het deel van de bomen… er is immers nog nooit een boom omgevallen in mijn huis), kan dan niet dezelfde filosofie gevolgd worden? Ik persoonlijk tracht te pleitten van wel. Leven in algehele ontkenning kan zo zijn voordelen hebben.
Nu moet ik nog een soortgelijke oplossing vinden voor een tweejarige bengel van het vrouwelijke geslacht die constant om aandacht vraagt en voor hun respectievelijke moeders, ook van het …euh… vrouwelijke geslacht, die gelukkigerwijs dezelfde persoon zijn, zodat dat probleem reeds gehalveerd wordt, nog voor het zich stelt.
Ik vrees echter dat zowel de mama als de peuter krachtiger zijn dan enige filosofie ooit geopperd, zodat er geen ontsnappen mogelijk is. Het is zoiets als met andere pijnen. Een kleine snee kan door pure wilskracht nog ontkend worden, zodat het gevoel van pijn nimmer aanwezig is, maar een gapende wonde waarbij een deel van je lichaam ongewild dienst kan doen als raam is door de krachtigste filosofen niet meer te ontkennen. Al spreek ik gelukkig niet uit ondervinding. Het enige geluk bestaat er vervolgens in dat de twee krachten, die van de bengel en die van de moeder, elkaar soms opheffen. Eentje die om aandacht smeekt en eentje die aandacht wil schenken.
De realiteit is steeds nadrukkelijker aanwezig in mijn leven. Ach, hoe graag ik ook klaag, ik houd er eigenlijk wel van. Ik zie mijn schatten immers veel te graag. Alle drie. Ik zie u graag !
Voor al de rest…
Een prettig 2009.
Of niet.
I don’t give a fuck.