Een jongen droomt

Een jongen droomt van verre reizen, fantastische avonturen en schoone deernes die dringend gered dienen te worden. Het gebeurt nooit. Het gebeurt nergens. Enkel in verhalen. Zijn verhalen, die hij bij elkaar fantaseert op saaie momenten. Die zijn er genoeg, saaie momenten. Misschien dat daarom zijn fantasie zo een goed geoliede machine is. Zijn lichaam ziet en hoort wat het nodig heeft om te kunnen reageren op de werkelijkheid, onderwijl is zijn geest op reis. Die geest bedenkt oplossingen voor de problemen die opdoemen. Op zich is dat al een hele prestatie, maar het gaat verder dan dat. Diezelfde geest heeft ook de opdoemende problemen verzonnen. Hij heeft interactie met de figuren die hij tegenkomt. De reacties van al die figuren worden evenzeer door de bedenker gecontroleerd. Alle touwtjes leiden dezelfde richting uit. Elk mogelijk woord en weerwoord is ontstaan in hetzelfde brein. Alle acties zijn een reactie op een eerdere actie. De eerste actie, de oerknal van dit universum heeft een duidelijke oorsprong.
Een jongen droomt van zijn eigen creaties. Steeds vaker zakt hij af in het universum dat hijzelf heeft geschapen. Hij is een held, hij is de goede, hij is wat hij ook maar wil zijn. Hij is vrij.
Hij is vrij.
Gevangen in zijn eigen universum is hij vrij. Hij zit gevangen in zijn lichaam. Het echte leven heeft geen betekenis. Het is niet zijn leven. Het is een realiteit en hij heeft geleerd ermee om te gaan, maar het is niet van hem. Als dusdanig heeft het geen waarde. Hij ondergaat en hij reageert. Nooit heeft hij het gevoel dat een actie echt een actie is. Al zijn acties zijn een reactie op wat er rondom gebeurt. Niemand merkt hem op. Hij is niemand en dat bevalt hem wel. Hij zoekt geen interactie op, integendeel, als hij de kans krijgt die te ontwijken zal hij dat doen. hij wil geen deel uitmaken van iets waar hij geen invloed op heeft. De wereld kan hem veranderen, maar hij de wereld niet. Toch niet de echte wereld.
Steeds groter wordt het contrast met zijn eigen universum. Hier is hij de oorsprong. Hij kan de hele wereld naar zijn hand zetten. Hier gebeurt alles zoals hij het wil. Zoals hij denkt dat het moet zijn en zoals hij beveelt dat het zal zijn. Hier is hij god. Hij is alles.
Een jongen droomt om nooit meer wakker te worden. Zijn geest heeft zich verscheurd van zijn lichaam. De realiteit dringt niet langer door tot hem. De breuk is niet overbrugbaar. Zijn geest heeft zichzelf wijsgemaakt dat hij het lichaam niet meer nodig had. Het was overbodige ballast en hij heeft zichzelf ervan bevrijd. Zijn geest zweeft door het eigen universum, niet langer geplaagd door de werkelijkheid. Hij is vrij.
Een jongen droomt. De machines rondom zijn ziekenhuisbed maken hun typische geluiden. Het meisje dat zijn hand vasthoudt snikt zachtjes, terwijl de tranen op de grond vallen. Ze doet niet de moeite de stroom ergens te onderbreken, ze laat de tranen gewoon rollen.
Een jongen droomt.