Wezenlijk Verschil

In deze straat staat een huis.
Het is een gewoon huis, je zou het voorbij rijden zonder het op te merken. Zelfs als je er te voet voorbij zou wandelen, is er niets dat het doet opvallen. Het is een klein huisje en achter de voordeur is een hal. Het licht in de hal brandt. Het brandt al gedurende een gehele periode onafgebroken.
In deze hal is een deur. Een gewone schildersdeur die wit is geverfd. Toch is het geen gewone deur meer. Achter deze deur lurkt de dood. Het is een portaal naar de hel geworden. Na het openen van deze deur is er geen weg terug. Had ik dat maar geweten. Toch zou het geen wezenlijk verschil hebben gemaakt.
Achter deze deur is een kamer. Een gezellige kamer die leuk is ingericht. Allerlei spulletjes zweven doelloos rond. Onaangeroerd liggen ze nog waar ze zijn achter gelaten. In deze kamer is het stil. De enige geluiden die doordringen komen van buiten deze kamer. Komen van buiten dit huis. De versieringen aan de muur zijn herinneringen aan vervlogen tijden. Elk detail verloren voor altijd.
In deze kamer staat een zetel. Een ietwat oudere zetel die niets van zijn oorspronkelijke charme heeft verloren. Het is een gemakkelijke zetel. Waarschijnlijk heeft ze die om die reden gekozen. De armleuningen zijn, op het zitvlak na, het meest versleten. Het eeuwige gepulk bleek te veel en dus laat de zetel nu een beetje van zijn innerlijke kant zien.
In deze zetel zit jij. Je armen rusten op de leuningen zonder nog te pulken. De glans is reeds lang uit je ogen verdwenen, de glimlach speelt niet meer om je mond. Je haren hangen zielloos naast je gezicht dat ik zo aanbeden heb. Je favoriete kleedje netjes om je lichaam gedrapeerd. De ketting glinstert in het zonlicht, maar je lichaam voelt reeds koud aan.
Naast deze zetel lig ik. Zielloos. Levensloos. Mezelf van het leven beroofd nadat ik je zo gevonden heb. Ik kon niet verder. Ik wilde niet verder. Nooit had ik door de deur mogen gaan. Toch zou het geen wezenlijk verschil hebben gemaakt.

 


De Fundering

De storm is gaan liggen. Er is geen wind meer. Kleine vlokjes dwarrelen naar beneden, op zoek naar hun eigen plaatsje. Alles wordt bedekt onder een nieuwe laag. Al wat oud is, verdwijnt, terwijl de nieuwe coating alles eenvormig maakt. Het is een frisse, nieuwe aanblik. Desondanks hangt er een aura van tristesse over waaraan ontsnappen onmogelijk is. Af en toe een schittering en dan terug dezelfde witgestucte wereld.

Dromen vervaagd. Zicht vertroebeld.

Hier stap ik. Deze troosteloze omgeving is de mijne. Ik ben er thuis en toch. Toch is het niet de werkelijkheid. De scheidingslijn is dun, maar onmiskenbaar.

De wereld binnenin is niet dezelfde als diegene die ik waarneem met mijn zintuigen. Ik voel me confortabel bij de wereld binnenin. Ik voel me echter gelukkiger in de buitenwereld. De wereld binnenin vergt veel van me, vreet aan me. Kleine tandjes knagen beetje bij beetje aan de fundering. Het witte vervangen door een kleurrijk tapijt helpt niet. De fundering blijft hetzelfde monotome partoon behouden. De tandjes blijven even vrolijk hun noeste arbeid volhouden. Ik weet dat de fundering het zal houden. Er wordt even hard aan gebouwd als er afgebroken wordt. Ondertussen is het kleurrijke tapijt uitgerold en ziet alles er fantastisch uit. Maar het is moeilijk te genieten van een geweldig uitzicht als je beseft dat beneden dat alles de raderen hard aan het werk zijn.